|
Na het moorden geen woorden.
Rook zakt in stilte.
Wissen van sporen.
De onschuld verraden. De haat ongeraakt.
Het bestaan van het Kwade.
De rand van de wereld waar traag de Geest verteert.
De grijnslach van een versteende nar
tollend om zijn as.
Zijn kap zit scheef,
de belletjes verkleefd met kaarswas.
Vertrapte kroon.
Verkoolde mantels.
Bebloede tegels.
Gespleten staffen.
Verbrande haren.
Vergruisd altaar.
Gebroken urnen.
Verpulverde wierook.
Opwaaiend stof.
Gedoofde kaarsen.
|
|
Bij de koperen poort, gezeten op fluweel,
de wijze.
Gedwee,
elke blik ontwijkend.
Op zijn gelaat de weerkaatsing
van een blauwe steen ...
Morgenrood aan de horizon.
Een poort valt in het slot.
|